agenda per maand
|
|
|
![]() ![]()
|
Onbesliste kwesties Henk van den BoschOp
zondag 18 mei opent in K13 in Velp Onbesliste kwesties,
een
tentoonstelling gemaakt door schilder Henk van den Bosch (1960).
Onderdeel van
de tentoonstelling zijn de interieurschilderijen van Van den Bosch, of
preciezer gezegd, het interieur met doorkijk naar achteren. Daar maakte
de
schilder de afgelopen jaren zijn specialisme van. Wat het onderwerp
betreft
heeft Henk van den Bosch een aantal illustere voorgangers. Denk alleen
al aan
Jan van Eyck en andere Vlaamse en latere Hollandse schilders. De lange
traditie
heeft Henk van den Bosch er niet van weerhouden om het onderwerp een
eigenzinnige draai te geven. De schilderijen van Van den Bosch gunnen
de
toeschouwer doorgaans een blik op statige, modernistische ruimtes en
via
vensters, trappenhuizen en dakramen op weer andere, aangrenzende
ruimtes en
uiteindelijk op het vrije buiten, dat in sommige gevallen een
stedelijke
omgeving is en in sommige gevallen de natuur. Iedereen
die deze schilderijen
bekijkt, betrapt zichzelf op de onbedwingbare neiging om de blik van de
voorgrond via de doorgangen naar achteren te laten dwalen. Iets dat
sterker is
dan jijzelf en aan het denken voorafgaat, dwingt de blik richting de
horizon.
Het is niet uit te sluiten dat je hier gehoor geeft aan oude
instincten. De
dierlijke kant van je wezen verkent wellicht de vluchtroutes en de
wegen naar
nieuwe terreinen die, wie weet, rijk zijn aan voedsel en het gezelschap
van
aantrekkelijke soortgenoten. Maar misschien moet je de biologie er
buiten
houden en het erbij laten dat de schilder je confronteert met de
onwillekeurige
aspecten van je kijkgedrag. Klaarblijkelijk hebben mensen de neiging om
het hier-en-nu
van de voorgrond in te wisselen voor het verderop gelegen daarginds.
Henk van den Bosch speelt daar met zijn schilderijen op in en wat hem
daartoe
brengt is ongetwijfeld voor een deel romantische onschuld. Een zekere
kwaadwilligheid daarnaast is echter niet helemaal uit te sluiten. De
schilder
laat de toeschouwer ogenschijnlijk ontsnappen, iets wat je in de
werkelijkheid
niet of zelden lukt en ook in het schilderij op het laatste moment
wordt
gefrustreerd. Er zit in de schilderijen van Henk van den Bosch altijd
een
vensterglas tussen het hier en de vrijheid. Wil je werkelijk ontsnappen
uit de
geschilderde architectuur, dan zul je de ogen moeten sluiten om je
bevrijding
in gedachten te voltooien. Doe je dat, dan is de volgende, voor de hand
liggende vraag, wat je aan de andere kant van het glas denkt te vinden.
Die
vraag is wellicht niet voor iedereen zomaar te beantwoorden, maar maakt
de
drang naar buiten niet minder. Op
een vleugje kwaadwilligheid
wijst ook de voorgrond van de schilderijen. Wat het bekijken van de
schilderijen van Henk van den Bosch tot een enigszins hectische
ervaring maakt,
is het feit dat de voorgrond niet minder trekt dan de achtergrond. De
blikt
hopt onwillekeurig op en neer. Op de voorgrond ontdek je dat een deel
van de
doorkijkjes schilderijen in het schilderij zijn. De uitbreiding van de
ruimte
naar achteren is een door de kunst geschapen illusie. De aanwezigheid
van
schilderijen in de geschilderde ruimte roept trouwens de vraag op wat
Van den
Bosch uitbeeldt. Veel van zijn schilderijen lijken op het eerste
gezicht de
uitbeelding van modernistische woonhuizen uit het einde van de jaren
vijftig of
het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw met hun voor dat
tijdperk
typische open verbindingen tussen keuken, trappenhuizen, woon- en
slaapkamers.
Ook de menselijke figuren die Henk van den Bosch in deze voorstellingen
laat
optreden moeten uit dit tijdperk stammen. Dat de schilder hier uit
nostalgische
overwegingen zijn eigen herinneringen in beeld brengt is onaannemelijk.
Het
ligt meer voor de hand dat Henk van den Bosch de in zijn schilderijen
gebruikte
vormtaal ontleende aan oude damesbladen en tijdschriften over
binnenhuisarchitectuur. Je
kunt over de bedoelingen
achter de uitbeelding van het modernistische binnenhuis en over de
verwijzingen
naar modernistische ambities als de rationalisering en de
verwetenschappelijking van het dagelijkse leven ruimschoots speculeren.
Los
daarvan moet je echter constateren dat de uitbeelding van de
modernistische
architectuur deel is van een visueel dwaalspoor. Wie goed kijkt komt
namelijk
tot de conclusie dat de binnenhuizen van Henk van den Bosch museale
proporties
hebben. Op tal van plaatsen binnen een en hetzelfde schilderij baant
het
binnenhuis zich zo te zien een weg door een museale ruimte of
penetreert het
museum de huiskamer. De toestand als geheel is telkens dubbelzinnig.
Mogelijk
roept de schilder hier het ideaal van de versmelting van kunst en
dagelijks
leven voor ogen, maar interpreteren is wat dit betreft een hachelijke
zaak. Met
evenveel recht zou je kunnen beweren dat Van den Bosch de beeldtaal van
het
modernistische binnenhuis en andere figuratieve thema's gebruikt als
beeldende
elementen in schilderijen die in de eerste plaats zijn bedoeld als
schilderkunstige composities. Henk
van den Bosch is niet voor
een gat te vangen en daarmee voldoet hij aan de eisen van zijn vak.
Kunst
ontleent zijn betekenis immers niet in de laatste plaats aan tot de
verbeelding
sprekende kwesties die door kunstenaars worden opgeworpen, maar waarop
geen
mens een pasklaar antwoord heeft. Aan die onbesliste kwesties zal Henk van den Bosch er in K13 nog een aantal toevoegen. Wat hem in het verleden al eens door een criticus werd gesuggereerd, de ruimtelijke uitbreiding van zijn tot nu toe uitsluitend geschilderde werk, zal hij in K13 voor het eerst een concrete vorm geven. Henk van den Bosch bouwt in K13 rond zijn schilderijen een ruimtelijkje installatie. Aanknopingspunt voor die installatie is het gebouw van het kunstcentrum K13 zelf. Wat nu een klein theater is met daaraan verbonden een expositieruimte, was ooit een woonhuis. Niet onbelangrijk voor Van den Bosch is ook het feit dat K13 pal aan het spoor tegenover het Velpse station ligt en dat het kunstcentrum zonder moeite zou kunnen fungeren als een alternatief stationsgebouw. Deze opeenstapeling van geschiedenis en de uiteenlopende menselijke bezigheden in en om het kunstcentrum brachten Henk van den Bosch op het idee om binnen zijn installatie drie onderscheiden plekken te scheppen: een plek die herinnert aan de jongenskamer in het vroegere woonhuis, een plek die de beeldende kunst en het theater voor de geest roept en een plek die verwijst naar het wachten en het reizen. Zoals in de schilderijen van Van den Bosch functies, ambities en realiteiten door elkaar lopen, zo zullen ze dat in deze installatie ongetwijfeld ook doen. De droom van de jongenskamer zal een verbinding aangaan met de illusies van de kunst en het theater. En op hun beurt zullen die illusies zich vermengen met het in gedachten vooruitlopen op het nog te bereiken reisdoel van de wachtende reiziger. Maar welke nieuwe kwesties Henk van den Bosch hier precies mee zal oproepen, is pas te zeggen als de tentoonstelling op 18 mei opent Zijpaden:
nog meer kwesties
Portret
van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw Door
Henk van den Bosch genoemd als een vroeg voorbeeld van een
schilderij waarin de achtergrond minstens zo intrigerend is als de
voorgrond
met het hondje en het geportretteerde echtpaar.
Een
analyse van dit schilderij vind je in Cor Blok , Beeldvertalen.
De werking en interpretatie van visuele beelden. University Press,
Amsterdam
2003, bladzijde (…)
Diego
Velázques (1599-1660)
Neo
Rauch (Leipzig 1960)
2 Modernisme en
postmodernisme Het
is opmerkelijk dat Henk van den Bosch nu
juist de case study houses, een bijna emblematische uiting van het
modernisme,
opvoert als een referentiepunt in zijn schilderijen. Tegen die
schilderijen
zouden na-oorlogse modernisten waarschijnlijk bezwaar hebben gemaakt.
Volgens
de opvattingen van het na-oorlogse modernisme diende de schilderkunst
immers op
grond van allerlei kunsttheoretische overwegingen binnen de kaders van
het
platte vlak te werken en moest iedere vorm van figuratie of ruimtelijke
illusie
worden vermeden. Van die middelen - figuratie en ruimtelijke illusie -
maakt
Henk van den Bosch evenwel ruimschoots gebruik. Hoe is die
ogenschijnlijke
inconsequentie te verklaren? De
zaak is niet los te zien van wat er in de
afgelopen veertig jaar in de kunsten is gebeurd. Henk van den Bosch
wordt
geboren in 1960. Cultureel is het modernisme op dat moment de dominante
stroming. Van grote betekenis in Amerika is de zogenaamde
post-painterly
abstraction, de strenge, volstrekt abstracte schilderkunst van Frank
Stella,
Kenneth Noland en anderen waarin zelfs de eigen toets van de schilder,
zijn
handschrift, bewust wordt onderdrukt. Twintig jaar later, als Van den
Bosch de
kunstacademie bezoekt en begint te schilderen liggen de zaken in nogal
wat
opzichten totaal anders. De mogelijkheden van de strenge modernistische
schilderkunst lijken in de jaren zeventig steeds meer uitgeput. In de
jaren
zeventig laten veel kunstenaars de schilderkunst voor wat hij is en
houden zich
bezig met betrekkelijk nieuwe kunstvormen als concept art, performance,
body
art, video, fotografie en land art. Begin jaren tachtig ontstaat er
overal in
Europa en Amerika een nieuwe schilderwoede aangeduid met de term 'Het
nieuwe
schilderen'. Door de opleving van de schilderkunst komen kunstenaars
die in de
jaren zeventig waren doorgegaan met schilderen - zoals de Duitsers
Gerhard
Richter, Georg Baselitz, Sigmar Polke en Italianen als Sandro Chia en
Enzo
Cucchi - weer extra in de belangstelling te staan. De hier genoemde
schilders
worden met anderen de dragers van wat grofweg wordt aangeduid als de
postmoderne schilderkunst van de jaren tachtig en negentig. De
kunst uit de jaren tachtig van de vorige
eeuw laat zich niet makkelijk onder een noemer samenvatten. Tekenend is
de
complexiteit. Strenge stijlbeginsels, zoals ten tijde van de
modernisme, lijken
niet meer te bestaan. Van alles en nog wat is of lijkt mogelijk en
kunstenaars
citeren op grote schaal uit de kunstgeschiedenis en de populaire
cultuur. Voor
sommige mensen zijn de jaren tachtig een periode van vrijheid en nieuwe
artistieke energie. Dat neemt niet weg dat er rond die tijd een hele
discussie
ontstaat over de betekenis van de nieuwe kunst en de ideeën waar ze een
uitdrukking van zouden zijn. In die discussie wordt ook op
schaduwzijden
gewezen. Het modernisme was meer dat alleen een stijl of manier van
doen. De
artistieke middelen waren een uitdrukking van een bepaalde visie op de
maatschappij en het streven naar de hervorming daarvan. Het modernisme
wilde de
maatschappij voorzien van een cultuur die paste bij de technische,
wetenschappelijke en economische mogelijkheden van de
geïndustrialiseerde
massademocratie. Tezamen met wetenschap en techniek moest de cultuur
zorgen
voor een radicale breuk met het verleden en een maatschappij scheppen
waarin
iedereen de kans kreeg om zich optimaal te ontplooien. De maatschappij
was in
de ogen van de modernen maakbaar en mensen konden onderling bepalen wat
het
goede, het ware en het schone was. Die laatste twee ideeën worden na de
jaren
zestig door zogenaamde 'postmoderne' denkers steeds meer in twijfel
getrokken
en in de jaren tachtig en negentig lijken hun opvattingen terrein te
winnen. De
postmodernen zien de maatschappij niet als maakbaar en betwijfelen de
kenbaarheid van de werkelijkheid. Werkelijkheid is in hun ogen een
constructie
en de ene constructie is op voorhand niet meer waard dan de andere. De
bestrijders van het postmoderne ideeëngoed,
waaronder de Duitse socioloog Jürgen Habermas, spraken van 'gescherm in
de
wind', van 'eclecticisme' en 'opportunistische willekeur'. Door afstand
te doen
van het idee dat de waarheid kenbaar is en door alles aan elkaar gelijk
te
stellen, deed men volgens Habermas en andere critici afstand van de
middelen om
zich cultureel en maatschappelijke verder te ontwikkelen. De
discussie in de jaren tachtig had zo zijn
scherpe kanten. Ook wie niet geneigd is deze of gene kant te kiezen,
ziet in
dat er iets is veranderd en ook wellicht verloren is gegaan. Een op
maakbaarheid, helderheid en collectieve daadkracht gebaseerde manier
van denken
maakt plaats voor individualisme, onoverzichtelijkheid, ironie
willekeur, en
twijfel. Iets van deze historische waterscheiding lijkt Henk van den
Bosch op
een indirecte manier in beeld te brengen. Van den Bosch schildert begin
jaren
tachtig nog abstract en begint pas na verloop van tijd figuratief te
schilderen. Hij sluit zich, zou je kunnen zeggen, aan bij het
postmoderne
schilderen. Niettemin brengt hij in veel van zijn schilderen een aan de
case
study houses verwante architectuur in beeld, alsof hij daarmee de
geschiedenis
en de breuk in die geschiedenis in beeld wil brengen. Over de kwestie
tussen
modernen en postmodernen is meer te lezen in onder andere de volgende
boeken.
Ad de Visser, De
Tweede Helft. Beeldende kunst na 1945. SUN, Nijmegen, 1998. Informatie over de
case study houses vind je op: www.artsandarchitecturemag.com/case.houses/index.html Kijken
is een ogenschijnlijk een moeiteloze
bezigheid. Je hoef je ogen maar open te doen en je ziet. Toch lijkt het
er niet
op dat je de dingen die je ziet rechtstreeks op een soort innerlijk
scherm
krijgt voorgeschoteld. Om je daarvan te overtuigen hoef je blik maar te
richten
op een of ander voorwerp in je omgeving. Je ziet zo'n voorwerp altijd
buiten
je, maar waar is dan het innerlijke beeld dat je van het voorwerp zou
moeten
hebben? Klaarblijkelijk bestaat het niet of spiegelen je hersenen je
voor dat
je dat innerlijke beeld ziet als iets buiten jezelf. Kijken is dus
ingewikkelder dan je op voorhand zou denken. Om
te beginnen moet je na je geboorte leren
kijken. Alles wijst erop dat kinderen na hun geboorte stap voor stap
leren om
kleuren, vormen en afmetingen te onderscheiden en te herkennen.Vast
staat
verder dat de organen waarmee we kijken, de ogen en de hersenen,
visuele prikkels
van buiten selecteren en op een bepaalde manier construeren tot een
beeld. Dat
begint al bij het netvlies. Het netvlies selecteert het door objecten
weerkaatste licht en de ogen sturen vervolgens een bundel prikkels naar
de
hersenen. De netvliescellen zijn met name gevoelig voor details en
snelle
bewegingen in het centrum van het gezichtveld en aanzienlijk minder
gericht op
dat soort verschijnselen aan de randen daarvan. Ook de hersenen die bij
het
kijken betrokken zijn, lijken informatie te selecteren en te
construeren. Een
koffiekopje dat je voor je ogen in allerlei richtingen ronddraait
levert een
groot aantal totaal verschillende beelden op, want het onderaanzicht
van het
kopje ziet er nu eenmaal anders uit dan de zijkant met het oor. Toch
zeggen je
hersenen je dat je een en hetzelfde kopje ziet. Dit simpele voorbeeld
maakt
inzichtelijk dat de hersenen je in sommige gevallen iets anders kunnen
voorspiegelen dan je ziet of zou moeten zien. Een ander aardig
voorbeeld van
wat de hersenen doen met visuele informatie geeft Cor Blok in het boek,
Beeldvertalen
op bladzijde 117. Het gaat om een zogenaamd suprematistisch schilderij
van
Kasimir Malevich met de titel Rood kruis op zwarte cirkel, gedateerd
1921-1927
van 71,5 bij De
bouw en de werking van je ogen en hersenen
zijn niet de enige factoren die van invloed zijn op wat je ziet en hoe
je
kijkt. Experimenten op het gebied van de menselijke waarneming - en
daarvan
zijn er vanaf het begin van de vorige eeuw nogal wat uitgevoerd - maken
duidelijk dat er bij kijken zeer uiteenlopende zaken in het spel zijn.
Wat
mensen zien en hoe ze beelden uitleggen lijkt onder andere te maken
hebben met
eerder ervaringen en met wat ze weten. Proeven van de Amerikaanse
psychologen
Carmichael, Hogan en Walters in de jaren dertig van de vorige eeuw
toonden al
aan dat proefpersonen zich bij het interpreteren van beelden in een
aanzienlijke mate lieten beïnvloeden door allerlei terzake en ook
volstrekt
niet terzake doende mondelinge informatie. Aannemelijk is verder dat
het kijken
en het interpreteren niet los staat van andere zintuigen als de
tastzin, smaak
en gehoor. Als je bijvoorbeeld een foto ziet van een aantrekkelijke
appel dan
kun je voorstellen hoe die appel smaak, hoe het aanvoelt als je je
vinger op de
schil van de appel legt en soms loopt het water je dan al bij wijze van
spreken
in je mond. Net
als andere zintuigen is het ook kijken een
voortbrengsel van een lange, biologische evolutie. In die evolutie zijn
gedragspatronen die mensen met andere, primitievere wezens gemeen
hebben,
bewaard gebleven. Sommige mensen wijze het idee van de evolutie op
grond van
hun godsdienstige overtuiging af, maar vast staat dat mensen net als
dieren de
buitenwereld via hun zintuigen waarnemen en daarop reageren. Wil dat
echter
zeggen dat het onwillekeurig naar achteren dwalen van de blik een
uiting is van
een primitief, biologisch patroon dat je zou kunnen vergelijken met de
groei
van planten naar het licht, het trekgedrag van grazers, of het gewemel
van
nachtvlinders rond een lamp? Het zou zo kunnen zijn. Maar waarom zou
het daarom
niet of eveneens te maken kunnen hebben met bijvoorbeeld het
romantische
verlangen dat mensen zichzelf in de loop van de geschiedenis hebben
aangepraat
of, om nu nog maar eens iets te noemen, het zoeken naar God dat de mens
volgens
sommigen is ingeschapen? De antwoorden op die vragen laat ik aan andere
over.
De onwillekeurige vlucht van de blik naar achteren is vooralsnog niet
sluitend
te verklaren, maar daarom niet minder dwingend en meeslepend. Wie meer
wil
weten kijken en daaraan verwante kwestie heeft wellicht iets aan de
onderstaande boeken.
E.H. Gombrich, Art
and illusion. A study in the psychology of pictorial
representation. Phaidon
Oxford, 1960. Ton Verstegen, Tropismen.
Metaforische animatie en architectuur. Nai Uitgevers Rotterdam 2001. Ian. E. Gordon, Theories
of visual perception.(3de editie)
Psychology Press New York and
Hove, 2004. Daniel Dennett,
Consciousness explained. Penguin Books London, 1991.
|