agenda per maand

terug

rabobanklogo.gif

rheden.gif

Onbesliste kwesties

Henk van den Bosch

Op zondag 18 mei opent in K13 in Velp Onbesliste kwesties, een tentoonstelling gemaakt door schilder Henk van den Bosch (1960). Onderdeel van de tentoonstelling zijn de interieurschilderijen van Van den Bosch, of preciezer gezegd, het interieur met doorkijk naar achteren. Daar maakte de schilder de afgelopen jaren zijn specialisme van. Wat het onderwerp betreft heeft Henk van den Bosch een aantal illustere voorgangers. Denk alleen al aan Jan van Eyck en andere Vlaamse en latere Hollandse schilders. De lange traditie heeft Henk van den Bosch er niet van weerhouden om het onderwerp een eigenzinnige draai te geven. De schilderijen van Van den Bosch gunnen de toeschouwer doorgaans een blik op statige, modernistische ruimtes en via vensters, trappenhuizen en dakramen op weer andere, aangrenzende ruimtes en uiteindelijk op het vrije buiten, dat in sommige gevallen een stedelijke omgeving is en in sommige gevallen de natuur.

Iedereen die deze schilderijen bekijkt, betrapt zichzelf op de onbedwingbare neiging om de blik van de voorgrond via de doorgangen naar achteren te laten dwalen. Iets dat sterker is dan jijzelf en aan het denken voorafgaat, dwingt de blik richting de horizon. Het is niet uit te sluiten dat je hier gehoor geeft aan oude instincten. De dierlijke kant van je wezen verkent wellicht de vluchtroutes en de wegen naar nieuwe terreinen die, wie weet, rijk zijn aan voedsel en het gezelschap van aantrekkelijke soortgenoten. Maar misschien moet je de biologie er buiten houden en het erbij laten dat de schilder je confronteert met de onwillekeurige aspecten van je kijkgedrag. Klaarblijkelijk hebben mensen de neiging om het hier-en-nu van de voorgrond in te wisselen voor het verderop gelegen daarginds. Henk van den Bosch speelt daar met zijn schilderijen op in en wat hem daartoe brengt is ongetwijfeld voor een deel romantische onschuld. Een zekere kwaadwilligheid daarnaast is echter niet helemaal uit te sluiten. De schilder laat de toeschouwer ogenschijnlijk ontsnappen, iets wat je in de werkelijkheid niet of zelden lukt en ook in het schilderij op het laatste moment wordt gefrustreerd. Er zit in de schilderijen van Henk van den Bosch altijd een vensterglas tussen het hier en de vrijheid. Wil je werkelijk ontsnappen uit de geschilderde architectuur, dan zul je de ogen moeten sluiten om je bevrijding in gedachten te voltooien. Doe je dat, dan is de volgende, voor de hand liggende vraag, wat je aan de andere kant van het glas denkt te vinden. Die vraag is wellicht niet voor iedereen zomaar te beantwoorden, maar maakt de drang naar buiten niet minder.

Op een vleugje kwaadwilligheid wijst ook de voorgrond van de schilderijen. Wat het bekijken van de schilderijen van Henk van den Bosch tot een enigszins hectische ervaring maakt, is het feit dat de voorgrond niet minder trekt dan de achtergrond. De blikt hopt onwillekeurig op en neer. Op de voorgrond ontdek je dat een deel van de doorkijkjes schilderijen in het schilderij zijn. De uitbreiding van de ruimte naar achteren is een door de kunst geschapen illusie. De aanwezigheid van schilderijen in de geschilderde ruimte roept trouwens de vraag op wat Van den Bosch uitbeeldt. Veel van zijn schilderijen lijken op het eerste gezicht de uitbeelding van modernistische woonhuizen uit het einde van de jaren vijftig of het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw met hun voor dat tijdperk typische open verbindingen tussen keuken, trappenhuizen, woon- en slaapkamers. Ook de menselijke figuren die Henk van den Bosch in deze voorstellingen laat optreden moeten uit dit tijdperk stammen. Dat de schilder hier uit nostalgische overwegingen zijn eigen herinneringen in beeld brengt is onaannemelijk. Het ligt meer voor de hand dat Henk van den Bosch de in zijn schilderijen gebruikte vormtaal ontleende aan oude damesbladen en tijdschriften over binnenhuisarchitectuur.

Je kunt over de bedoelingen achter de uitbeelding van het modernistische binnenhuis en over de verwijzingen naar modernistische ambities als de rationalisering en de verwetenschappelijking van het dagelijkse leven ruimschoots speculeren. Los daarvan moet je echter constateren dat de uitbeelding van de modernistische architectuur deel is van een visueel dwaalspoor. Wie goed kijkt komt namelijk tot de conclusie dat de binnenhuizen van Henk van den Bosch museale proporties hebben. Op tal van plaatsen binnen een en hetzelfde schilderij baant het binnenhuis zich zo te zien een weg door een museale ruimte of penetreert het museum de huiskamer. De toestand als geheel is telkens dubbelzinnig. Mogelijk roept de schilder hier het ideaal van de versmelting van kunst en dagelijks leven voor ogen, maar interpreteren is wat dit betreft een hachelijke zaak. Met evenveel recht zou je kunnen beweren dat Van den Bosch de beeldtaal van het modernistische binnenhuis en andere figuratieve thema's gebruikt als beeldende elementen in schilderijen die in de eerste plaats zijn bedoeld als schilderkunstige composities.

Henk van den Bosch is niet voor een gat te vangen en daarmee voldoet hij aan de eisen van zijn vak. Kunst ontleent zijn betekenis immers niet in de laatste plaats aan tot de verbeelding sprekende kwesties die door kunstenaars worden opgeworpen, maar waarop geen mens een pasklaar antwoord heeft.

Aan die onbesliste kwesties zal Henk van den Bosch er in K13 nog een aantal toevoegen. Wat hem in het verleden al eens door een criticus werd gesuggereerd, de ruimtelijke uitbreiding van zijn tot nu toe uitsluitend geschilderde werk, zal hij in K13 voor het eerst een concrete vorm geven. Henk van den Bosch bouwt in K13 rond zijn schilderijen een ruimtelijkje installatie. Aanknopingspunt voor die installatie is het gebouw van het kunstcentrum K13 zelf. Wat nu een klein theater is met daaraan verbonden een expositieruimte, was ooit een woonhuis. Niet onbelangrijk voor Van den Bosch is ook het feit dat K13 pal aan het spoor tegenover het Velpse station ligt en dat het kunstcentrum zonder moeite zou kunnen fungeren als een alternatief stationsgebouw. Deze opeenstapeling van geschiedenis en de uiteenlopende menselijke bezigheden in en om het kunstcentrum brachten Henk van den Bosch op het idee om binnen zijn installatie drie onderscheiden plekken te scheppen: een plek die herinnert aan de jongenskamer in het vroegere woonhuis, een plek die de beeldende kunst en het theater voor de geest roept en een plek die verwijst naar het wachten en het reizen. Zoals in de schilderijen van Van den Bosch functies, ambities en realiteiten door elkaar lopen, zo zullen ze dat in deze installatie ongetwijfeld ook doen. De droom van de jongenskamer zal een verbinding aangaan met de illusies van de kunst en het theater. En op hun beurt zullen die illusies zich vermengen met het in gedachten vooruitlopen op het nog te bereiken reisdoel van de wachtende reiziger. Maar welke nieuwe kwesties Henk van den Bosch hier precies mee zal oproepen, is pas te zeggen als de tentoonstelling op 18 mei opent

Zijpaden: nog meer kwesties

 Deze rubriek is bedoeld om het werk en de schilderijen van Henk van den Bosch in een bepaalde context te plaatsen. Kunst is zonder twijfel een kwestie van individueel talent, maar ook een collectief proces met een lange geschiedenis. Mensen ondergaan de invloed van anderen, leren van elkaar, nemen ideeën over en geven daar hun eigen draai aan. Als gevolg daarvan zijn er allerlei verbanden, overeenkomsten of op z'n minst parallellen aan te wijzen, vaak dwars door de tijd heen. Op een paar van die verbanden en parallellen wil ik hier de aandacht vestigen in de hoop dat ze een licht werpen op de door Henk van den Bosch gemaakte tentoonstelling.

Peter Nijenhuis, programmamaker beeldende kunst

Inhoud

1 Voorlopers en geestverwanten
2 Modernisme en postmodernisme
3 Kijken: eerst doen dan denken
4 Poëzie

1 Voorlopers en geestverwanten


mNG186.jpg

Jan van Eyck (+1441) 

Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw
1434
Olieverf op eiken paneel, 82,2 x 60 cm.

The National Gallery, Londen

Door Henk van den Bosch genoemd als een vroeg voorbeeld van een schilderij waarin de achtergrond minstens zo intrigerend is als de voorgrond met het hondje en het geportretteerde echtpaar.

 NK2685.jpg
Emanuel de Witte (1617 Alkmaar- 1692 Amsterdam)
Interieur van vrouw aan een virginaal
Circa 1665

Olieverf op doek, 77,50 x 104,50 cm
Museum Boijmans van Beuningen.
 

Een analyse van dit schilderij vind je in Cor Blok , Beeldvertalen. De werking en interpretatie van visuele beelden. University Press, Amsterdam 2003, bladzijde (…)

meninas.jpg

Diego Velázques (1599-1660)
Las meninas
1656

Olieverf op doek, 318 x 276 cm.
Museo del Prado, Madrid

http://www.moma.org/collection/provenance/items/images/112.36.jpg

Giorgio de Chirico (1888-1978)
Het kwade genie van een koning
1914/15

olieverf op doek, 61 x 50.2 cm
Museum of Modern Art New York

Rauch_hi.JPG

Neo Rauch (Leipzig 1960)
Der Vorhang

2005
Olieverf op doek, 550 X 213 cm

Stedelijk Museum Amsterdam

david-salle-bigger-rack.jpg

David Salle (Norman/Oklahoma 1952)
Bigger Rack
1997/98
Olieverf en acryl op doek
244 x 320 cm

The Saatchi Gallery Londen
 

THU_07_03_webgrand.jpg

Thomas Huber (Zürich 1955)
Zonder titel
2007

Olie op doek, 120 x 160 cm
Skopia Art Contemporain Genève 

2 Modernisme en postmodernisme

De geschilderde interieurs op de schilderijen van Henk van den Bosch roepen associaties op met case study houses die tussen 1945 en 1966werden gebouwd rond Los Angeles. Het project was een initiatief van John Entenza, de eigenaar van het tijdschrift Arts & Architecture. Entenza gaf een aantal toonaangevende architecten - waaronder Richard Neutra, Charles Eames, Pierre Koenig en Eero Saarinen - de opdracht om een huis te ontwerpen dat niet teveel zou kosten en eenvoudig was te bouwen. Het project speelde in op de behoefte aan goede en betaalde huizen na de Tweede Wereldoorlog als gevolg van de massale terugkeer van Amerikaanse oorlogsveteranen. De huizen moesten zo worden ontworpen dat de nieuwste, mede in de oorlog ontwikkelde technieken konden worden toegepast. Uit het project sprak ook het idealistisch streven om de inzichten en de esthetica van het modernisme algemeen goed te maken. In de aankondiging van het project werd onder meer bepaald dat de ontwerpers uit dienden te gaan van de materialen en technieken 'best suited to the expression of man's life in the modern world.'

 Het is opmerkelijk dat Henk van den Bosch nu juist de case study houses, een bijna emblematische uiting van het modernisme, opvoert als een referentiepunt in zijn schilderijen. Tegen die schilderijen zouden na-oorlogse modernisten waarschijnlijk bezwaar hebben gemaakt. Volgens de opvattingen van het na-oorlogse modernisme diende de schilderkunst immers op grond van allerlei kunsttheoretische overwegingen binnen de kaders van het platte vlak te werken en moest iedere vorm van figuratie of ruimtelijke illusie worden vermeden. Van die middelen - figuratie en ruimtelijke illusie - maakt Henk van den Bosch evenwel ruimschoots gebruik. Hoe is die ogenschijnlijke inconsequentie te verklaren?

 De zaak is niet los te zien van wat er in de afgelopen veertig jaar in de kunsten is gebeurd. Henk van den Bosch wordt geboren in 1960. Cultureel is het modernisme op dat moment de dominante stroming. Van grote betekenis in Amerika is de zogenaamde post-painterly abstraction, de strenge, volstrekt abstracte schilderkunst van Frank Stella, Kenneth Noland en anderen waarin zelfs de eigen toets van de schilder, zijn handschrift, bewust wordt onderdrukt. Twintig jaar later, als Van den Bosch de kunstacademie bezoekt en begint te schilderen liggen de zaken in nogal wat opzichten totaal anders. De mogelijkheden van de strenge modernistische schilderkunst lijken in de jaren zeventig steeds meer uitgeput. In de jaren zeventig laten veel kunstenaars de schilderkunst voor wat hij is en houden zich bezig met betrekkelijk nieuwe kunstvormen als concept art, performance, body art, video, fotografie en land art. Begin jaren tachtig ontstaat er overal in Europa en Amerika een nieuwe schilderwoede aangeduid met de term 'Het nieuwe schilderen'. Door de opleving van de schilderkunst komen kunstenaars die in de jaren zeventig waren doorgegaan met schilderen - zoals de Duitsers Gerhard Richter, Georg Baselitz, Sigmar Polke en Italianen als Sandro Chia en Enzo Cucchi - weer extra in de belangstelling te staan. De hier genoemde schilders worden met anderen de dragers van wat grofweg wordt aangeduid als de postmoderne schilderkunst van de jaren tachtig en negentig.

 De kunst uit de jaren tachtig van de vorige eeuw laat zich niet makkelijk onder een noemer samenvatten. Tekenend is de complexiteit. Strenge stijlbeginsels, zoals ten tijde van de modernisme, lijken niet meer te bestaan. Van alles en nog wat is of lijkt mogelijk en kunstenaars citeren op grote schaal uit de kunstgeschiedenis en de populaire cultuur. Voor sommige mensen zijn de jaren tachtig een periode van vrijheid en nieuwe artistieke energie. Dat neemt niet weg dat er rond die tijd een hele discussie ontstaat over de betekenis van de nieuwe kunst en de ideeën waar ze een uitdrukking van zouden zijn. In die discussie wordt ook op schaduwzijden gewezen. Het modernisme was meer dat alleen een stijl of manier van doen. De artistieke middelen waren een uitdrukking van een bepaalde visie op de maatschappij en het streven naar de hervorming daarvan. Het modernisme wilde de maatschappij voorzien van een cultuur die paste bij de technische, wetenschappelijke en economische mogelijkheden van de geïndustrialiseerde massademocratie. Tezamen met wetenschap en techniek moest de cultuur zorgen voor een radicale breuk met het verleden en een maatschappij scheppen waarin iedereen de kans kreeg om zich optimaal te ontplooien. De maatschappij was in de ogen van de modernen maakbaar en mensen konden onderling bepalen wat het goede, het ware en het schone was. Die laatste twee ideeën worden na de jaren zestig door zogenaamde 'postmoderne' denkers steeds meer in twijfel getrokken en in de jaren tachtig en negentig lijken hun opvattingen terrein te winnen. De postmodernen zien de maatschappij niet als maakbaar en betwijfelen de kenbaarheid van de werkelijkheid. Werkelijkheid is in hun ogen een constructie en de ene constructie is op voorhand niet meer waard dan de andere.

 De bestrijders van het postmoderne ideeëngoed, waaronder de Duitse socioloog Jürgen Habermas, spraken van 'gescherm in de wind', van 'eclecticisme' en 'opportunistische willekeur'. Door afstand te doen van het idee dat de waarheid kenbaar is en door alles aan elkaar gelijk te stellen, deed men volgens Habermas en andere critici afstand van de middelen om zich cultureel en maatschappelijke verder te ontwikkelen.

 De discussie in de jaren tachtig had zo zijn scherpe kanten. Ook wie niet geneigd is deze of gene kant te kiezen, ziet in dat er iets is veranderd en ook wellicht verloren is gegaan. Een op maakbaarheid, helderheid en collectieve daadkracht gebaseerde manier van denken maakt plaats voor individualisme, onoverzichtelijkheid, ironie willekeur, en twijfel. Iets van deze historische waterscheiding lijkt Henk van den Bosch op een indirecte manier in beeld te brengen. Van den Bosch schildert begin jaren tachtig nog abstract en begint pas na verloop van tijd figuratief te schilderen. Hij sluit zich, zou je kunnen zeggen, aan bij het postmoderne schilderen. Niettemin brengt hij in veel van zijn schilderen een aan de case study houses verwante architectuur in beeld, alsof hij daarmee de geschiedenis en de breuk in die geschiedenis in beeld wil brengen. Over de kwestie tussen modernen en postmodernen is meer te lezen in onder andere de volgende boeken.

 
Jos de Mul, Het romantische verlangen in (post)moderne kunst en filosofie. Ad Donker, Rotterdam, 1990.

Ad de Visser, De Tweede Helft. Beeldende kunst na 1945. SUN, Nijmegen, 1998.

Informatie over de case study houses vind je op: www.artsandarchitecturemag.com/case.houses/index.html

3. Kijken: eerst doen dan denken

 Elders werd erop gewezen dat de schilderijen van Henk van den Bosch in veel gevallen vanuit een ruimte op de voorgrond een doorkijk bieden op aangrenzende ruimtes en het vrije buiten en dat je blik daardoor onwillekeurig van de voorgrond naar de geschilderde achtergrond dwaalt. Dat gebeurt zoals gezegd 'onwillekeurig', dus zonder dat je daar eerst over nadenkt. Dit verschijnsel wijst je als kijker op iets interessants, de door het denken niet gecontroleerde, anders gezegd pre-rationele kanten van het kijken. Maar als het kijken in dit geval niet wordt gestuurd door het denken, of in ieder geval niet alleen, waar wordt het dan wel door gestuurd?

 Kijken is een ogenschijnlijk een moeiteloze bezigheid. Je hoef je ogen maar open te doen en je ziet. Toch lijkt het er niet op dat je de dingen die je ziet rechtstreeks op een soort innerlijk scherm krijgt voorgeschoteld. Om je daarvan te overtuigen hoef je blik maar te richten op een of ander voorwerp in je omgeving. Je ziet zo'n voorwerp altijd buiten je, maar waar is dan het innerlijke beeld dat je van het voorwerp zou moeten hebben? Klaarblijkelijk bestaat het niet of spiegelen je hersenen je voor dat je dat innerlijke beeld ziet als iets buiten jezelf. Kijken is dus ingewikkelder dan je op voorhand zou denken.

 Om te beginnen moet je na je geboorte leren kijken. Alles wijst erop dat kinderen na hun geboorte stap voor stap leren om kleuren, vormen en afmetingen te onderscheiden en te herkennen.Vast staat verder dat de organen waarmee we kijken, de ogen en de hersenen, visuele prikkels van buiten selecteren en op een bepaalde manier construeren tot een beeld. Dat begint al bij het netvlies. Het netvlies selecteert het door objecten weerkaatste licht en de ogen sturen vervolgens een bundel prikkels naar de hersenen. De netvliescellen zijn met name gevoelig voor details en snelle bewegingen in het centrum van het gezichtveld en aanzienlijk minder gericht op dat soort verschijnselen aan de randen daarvan. Ook de hersenen die bij het kijken betrokken zijn, lijken informatie te selecteren en te construeren. Een koffiekopje dat je voor je ogen in allerlei richtingen ronddraait levert een groot aantal totaal verschillende beelden op, want het onderaanzicht van het kopje ziet er nu eenmaal anders uit dan de zijkant met het oor. Toch zeggen je hersenen je dat je een en hetzelfde kopje ziet. Dit simpele voorbeeld maakt inzichtelijk dat de hersenen je in sommige gevallen iets anders kunnen voorspiegelen dan je ziet of zou moeten zien. Een ander aardig voorbeeld van wat de hersenen doen met visuele informatie geeft Cor Blok in het boek, Beeldvertalen op bladzijde 117. Het gaat om een zogenaamd suprematistisch schilderij van Kasimir Malevich met de titel Rood kruis op zwarte cirkel, gedateerd 1921-1927 van 71,5 bij 51 cm. Op het schilderij, nu een deel van de collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam, zie je een rood kruis dat voor een zwarte cirkel zweeft. Blok voert aan dat je hier iets anders ziet dan er in werkelijkheid 'staat'. Het schilderij is immers een plat vlak met een rood kruis en nog wat gekleurde vlakken. Er staat op het schilderij in werkelijkheid ook geen zwarte schijf. In ieder van de vier oksels van het kruis is met zwarte verf een kwartcirkel geschilderd, meer niet. Om een of andere reden vinden je hersenen dat niet aannemelijk of te moeilijk en dus spiegelen ze je voor dat de vier kwartcirkels tezamen één zwarte schijf vormen die achter het kruis doorloopt en dat het rode kruis in de ruimte voor de schijf zweeft.

 De bouw en de werking van je ogen en hersenen zijn niet de enige factoren die van invloed zijn op wat je ziet en hoe je kijkt. Experimenten op het gebied van de menselijke waarneming - en daarvan zijn er vanaf het begin van de vorige eeuw nogal wat uitgevoerd - maken duidelijk dat er bij kijken zeer uiteenlopende zaken in het spel zijn. Wat mensen zien en hoe ze beelden uitleggen lijkt onder andere te maken hebben met eerder ervaringen en met wat ze weten. Proeven van de Amerikaanse psychologen Carmichael, Hogan en Walters in de jaren dertig van de vorige eeuw toonden al aan dat proefpersonen zich bij het interpreteren van beelden in een aanzienlijke mate lieten beïnvloeden door allerlei terzake en ook volstrekt niet terzake doende mondelinge informatie. Aannemelijk is verder dat het kijken en het interpreteren niet los staat van andere zintuigen als de tastzin, smaak en gehoor. Als je bijvoorbeeld een foto ziet van een aantrekkelijke appel dan kun je voorstellen hoe die appel smaak, hoe het aanvoelt als je je vinger op de schil van de appel legt en soms loopt het water je dan al bij wijze van spreken in je mond.

 Net als andere zintuigen is het ook kijken een voortbrengsel van een lange, biologische evolutie. In die evolutie zijn gedragspatronen die mensen met andere, primitievere wezens gemeen hebben, bewaard gebleven. Sommige mensen wijze het idee van de evolutie op grond van hun godsdienstige overtuiging af, maar vast staat dat mensen net als dieren de buitenwereld via hun zintuigen waarnemen en daarop reageren. Wil dat echter zeggen dat het onwillekeurig naar achteren dwalen van de blik een uiting is van een primitief, biologisch patroon dat je zou kunnen vergelijken met de groei van planten naar het licht, het trekgedrag van grazers, of het gewemel van nachtvlinders rond een lamp? Het zou zo kunnen zijn. Maar waarom zou het daarom niet of eveneens te maken kunnen hebben met bijvoorbeeld het romantische verlangen dat mensen zichzelf in de loop van de geschiedenis hebben aangepraat of, om nu nog maar eens iets te noemen, het zoeken naar God dat de mens volgens sommigen is ingeschapen? De antwoorden op die vragen laat ik aan andere over. De onwillekeurige vlucht van de blik naar achteren is vooralsnog niet sluitend te verklaren, maar daarom niet minder dwingend en meeslepend. Wie meer wil weten kijken en daaraan verwante kwestie heeft wellicht iets aan de onderstaande boeken.

 
Cor Blok , Beeldvertalen. De werking en interpretatie van visuele beelden. University Press, Amsterdam 2003.

E.H. Gombrich, Art and illusion. A study in the psychology of pictorial representation. Phaidon Oxford, 1960.

Ton Verstegen, Tropismen. Metaforische animatie en architectuur. Nai Uitgevers Rotterdam 2001.

Ian. E. Gordon, Theories of visual perception.(3de editie) Psychology Press New York and Hove, 2004.

Daniel Dennett, Consciousness explained. Penguin Books London, 1991.

 4 Poëzie

 De verleiding om je blik naar achteren te laten dwalen terwijl je ondertussen ook de drang voelt om terug te keren naar de voorgrond, vind je niet alleen in de schilderkunst, maar ook, in een overdrachtelijke zin, in de poëzie. De Eikebomen is een gedicht van de romantische, Duitse dichter Friederich Hölderlin (1770-1843). Het gedicht is geschreven in hexameters, een versvorm waarin Homerus de Illias en de Odyssee dichtte en die, heel simpel gezegd, bestaat uit zes groepen van een beklemtoonde en een of twee onbeklemtoonde lettergrepen. De taal doet op het eerste gezicht wat stijfjes aan, maar als je het gedicht van buiten leert en hardop opzegt, levert dat een wonderlijke, vloeiende muziek op. In het gedicht verwoordt Hölderlin het verlangen naar het 'andere' en tegelijkertijd erkent dat hij de menselijke leefwereld, het dagelijkse, niet voor altijd kan loslaten. De 'Gärten' die de ik-persoon noemt als zijn plaats van herkomst zijn door vertaler Ad den Beste vertaald als 'gaarden'. Dat had ook 'akkers' of 'moestuinen' kunnen zijn of een andere aanduiding van de door mensen in cultuur gebrachte leefwereld. Waarschijnlijk liet Hölderlin zich inspireren door de eikebossen van de Taunus, ten noorden van Frankfurt. De eikebomen waaronder de ik-persoon zo graag zou willen verkeren, zijn vrij en onafhankelijk. Ze grijpen onbekommerd naar de wolken en de ruimte. Iedere eik is een wereld op zich, net als de sterren. Zou de ik-persoon zijn gewone bestaan kunnen accepteren, dan zou hij de eikebomen nooit benijden. Was hij anderzijds niet zo aan zijn bestaan en de mensen gehecht, hoe graag zou hij dan onder de machtige eiken wonen.

  hol.JPG

info K13: Pers, alg.info, com.van aanbeveling,sponsors etc.exposities K13K13 en educatieK13 en verhuur - zaalverhuur en meer mogelijkhedenterug naar home-page K13reserveren voorstellingen K13