Paul
van der Eerden (1954) exposeert zijn tekeningen in Nederland, Frankrijk
en Duitsland en is daarnaast actief als tentoonstellingsmaker. In 2007
trad hij in het Rotterdamse Museum Boijmans Van Beuningen op als
curator van Enclosures, een tentoonstelling van zijn eigen tekeningen
en tekeningen uit de collecties van het Boijmans Van Beuningen en
andere musea. Op Van der Eerdens agenda staan exposities en
onderwijsopdrachten in onder meer Frankrijk en het curatorschap van
tentoonstellingen in het Amsterdamse Maison Descartes en het Institut
Néerlandais te Parijs.
Opvallend aan Van der Eerdens werk is de
veelzijdigheid. Het is niet echt eenvoudig om een typische Van der
Eerden aan te wijzen, dat wil zeggen een werk dat als illustratie van
zijn werkwijze en zijn onderwerpen in het algemeen zou kunnen dienen.
Er is om te beginnen een hele reeks tekeningen waarin de kunstenaar
gebruikmaakt van uitgesproken monumentale middelen. Voorbeelden daarvan
zijn het portret van een man uit 2005, de in grijstonen uitgewerkte
tekeningen van augustus, september en oktober 2007 en de uit 1996
stammende pastiche van het werk van André Thomkins (1939-1985). Naast
die
monumentale manier van tekenen maakt Van der Eerden met evenveel gemak
gebruik van een opzettelijk onhandige manier van tekenen, zoals in de
uit 1995 stammende hommage aan Cindy Sherman en de tijdens een verblijf
in 2008 in Berlijn gemaakte tekeningen To-morrow 1 en West-East.
Wie
het werk van Paul van der Eerden bekijkt moet constateren dat de
kunstenaar in de loop van de jaren steeds op zoek is geweest naar
nieuwe manieren van tekenen. Er is een Van der Eerden van de soepele
lijn, waarmee hij volume en vlezigheid suggereert, zoals in de in wit
en rood uitgevoerde tekeningen van de Berlijn 02-serie uit 2008, en
lijnrecht daartegenover een sferische, bijna ijle Van der Eerden van
Decor-Entree, eveneens uit 2008. In de in 2000 gemaakte serie
L'Execution du Testament du Marquis de Sade laat Van der Eerden morsige
volumes en boosaardige achtergrondkrabbels door onberispelijke, in
heldere lijnen getrokken figuratieve vormen schijnen. Min of meer
tegelijkertijd maakte hij de serene serie True Identities en tekeningen
met solide volumes en zeer eenvoudige, maar sterk ruimtelijke effecten,
waarvan onder meer de in zwart en groen uitgevoerde tekening uit 2001
van een mannetje achter een raster een voorbeeld is.
Alsof het
allemaal niet op kan maakt Van der Eerden naast figuratieve tekeningen
al sinds jaren tekeningen met teksten en abstracte composities waarin
hij zo nu en dan ook min of meer verborgen figuratieve motieven
verwerkt. Voorbeelden daarvan zijn de in rood, roze, grijs en zwart
uitgevoerde tekening van de Berlijn 03-serie uit 2008 en het Fernand
Léger-achtige blauwe buispatroon in de serie Blue Notes uit 1996. Naast
al deze categorieën zou voor de onderverdeling van Paul van der Eerdens
werk ook nog een categorie van priegelige tekeningen moeten worden
aangewezen, om daar tekeningen in onder te brengen als de tot de
Berlijn 01-serie behorende tekening waarin een skelet wordt aangestaard
door twee als jachttrofee opgezette koppen die een opvallende
gelijkenis vertonen met het uiterlijk van de kunstenaar.
In
interviews heeft Paul van der Eerden wel eens verklaard dat hij bij het
tekenen niet echt veel nadenkt. Omdat hij in zijn woonplaats Rotterdam
door allerlei zaken wordt afgeleid, verblijft de kunstenaar bij
voorkeur een deel van het jaar in een stad in het buitenland. In de
ochtend wandelt hij rond en bezoekt hij musea, na de lunch begint hij
te tekenen. Gezien de uitspraak dat hij er niet veel bij nadenkt,
moeten we aannemen dat Van der Eerden zich al tekenend laat meedrijven
met de stroom. Naar de aard van die stroom kun je niet meer dan gissen,
maar het resultaat vormt ondanks de veelvormigheid wel degelijk een
eenheid.
Samenhang vertoont Van der Eerdens werk onder meer in
tekentechnisch opzicht. Steeds terugkerend is de vermenging van
uitdrukkingsmiddelen die tamelijk uiteen liggen. In een en dezelfde
tekening laat Van der Eerden de suggestie van ruimte en volume botsen
en overlopen in nadrukkelijk platte vormen, geeft hij koddige en
onbeholpen figuratieve voorstellingen door het gebruik van filmische
standpunten en statige volumes een monumentale uitdrukking en krijgen
vlakke, abstracte patronen door de suggestie van volume een ruimtelijke
werking. Voorbeelden daarvan zijn het al genoemde mannenportret van 15
oktober 2005, de met gespreide benen omlaag vallende vrouwenfiguren uit
de Berlijn 04-serie van 2008 en een tekening uit 1997 met een platte
oranje schijf die als een hoofd op een ruimtelijk getekende hals
prijkt. Op de platte gekleurde schijf zijn een zestal vervormde, maar
vlezig aandoende handen getekend. Hoofd, hals en handen vormen
niettemin een vanzelfsprekende eenheid. Als een voorbeeld van de
categorie van abstracte compositie met een atypische ruimtelijke
suggestie kan hier een blauwe tekening uit 1996 worden genoemd. Bolle,
cilinderachtige vormpjes die iets weg hebben van vingerkootjes met een
nagel vormen hier een abstract patroon. Zo'n patroon heeft in de
modernistische traditie doorgaans een vlak karakter en waar het
ruimtelijk is uitgebeeld, zoals bij Léger, iets glads, gelijkmatigs en
machinaals. In de blauwe tekening uit 1996 overheerst evenwel een tegen
de geest van het modernisme ingaande, handschriftelijke
ongelijkmatigheid. Als aardigheid zijn die vormpjes in het centrum van
de tekening ook nog eens groter en boller dan aan de randen, alsof over
het vlak van de tekening een druppel water of een vergrootglas is
gelegd.
Op grond van zijn technisch kunnen is Van der Eerden een
virtuoos te noemen of op z'n minst iemand met een gouden hand. Techniek
lijkt bij Van der Eerden uiterst belangrijk, maar toch ook weer geen
doel op zich. Dat laatste wordt duidelijk wanneer je je afvraagt wat de
tekenaar nu eigenlijk tekent. Op een aantal punten wijkt hij duidelijk
af van wat in de tekenkunst gebruikelijk is. De werking van het licht
komt in zijn tekeningen zeker aan de orde, maar is geen onderwerp op
zich, en van het tekenen naar fotografisch voorbeeld lijkt al helemaal
geen sprake. Wat Van der Eerden in beeld brengt is niet het
afstandelijk fotografische, maar de zintuiglijke ervaring van het
zichtbare, iets wat de fotografie en het tekenen naar fotografisch
voorbeeld niet of moeilijk tot uitdrukking kunnen brengen. Van der
Eerdens onderwerp is het geheel van fysieke eigenaardigheden van
objecten, lichamen en oppervlakken en de lichamelijke gewaarwordingen
die ze wakker roepen. De getekende plooien, rondingen, holtes en
oneffenheden prikkelen zowel de kijklust als de tastzin en
onwillekeurig voel je iets na van hun vlezige volheid, rigiditeit,
gladheid of juist hun druiperigheid. Zoiets vraagt een sterk
waarnemingsvermogen en een sterke concentratie op de lichamelijke en
zintuiglijke effecten daarvan. In weerwil van wat de kunstenaar
verklaarde over zijn vrij gedachteloze manier van werken, lijken zijn
tekeningen de uitkomst van een grondig en complex proces van waarneming
en zelfwaarneming en, wat niet minder complex lijkt, de vertaling
daarvan in getekende beelden. De gewaarwordingen die deze beelden
wekken zijn overigens verre van eenduidig. Van der Eerdens universum is
een parcours van verleiding en afstoting en een reeks nuances
daartussen, zoals het eng-aantrekkelijke van een klauwachtige hand, het
obsceen-aandoenlijke van de al genoemde vrouwenfiguur uit de serie Sad
Alchemy of het klam-gladde van een kaal hoofd. In een aantal gevallen
is het contrast tamelijk scherp, zoals in de tekening van een op bed
liggende vrouwenromp uit de in 2008 getekende Berlijn 03-serie. De
stijf geribbelde stof op het hoofd- en voeteneinde van het bed trekt de
blik aan en prikkelt de lust om aan te raken, terwijl de romp met het
geprononceerde geslacht de blik juist afstoot.
De nadruk op het
zintuiglijke is bij Van der Eerden waarschijnlijk niet los te zien van
zijn eigenzinnige keuzes op het gebied van expressieve middelen. Dat
komt vooral tot uitdrukking in de wijze waarop hij menselijke figuren
tekent. Laat je de abstracte composities en de teksttekeningen buiten
beschouwing, dan is de menselijke verschijning een in vrijwel iedere
tekening terugkerend onderwerp. Van der Eerden doorbreekt daarbij de
rangorde en de rolverdeling tussen de blik, het licht en het lichaam,
die de westerse kunst van de zestiende en zeventiende eeuw tot de komst
van de moderniteit voor een groot deel bepalen. De op de voorgrond
tredende middelen van expressie zijn bij Van der Eerden niet
uitsluitend het gezicht, met de ogen als spiegels van de onstoffelijke
geest of psyche, en het zich als een onstoffelijke grootheid voordoende
licht. Minstens zo belangrijk is het lichaam. De getekende lichamen
drukken zich uit in deegachtige slapheid, koude verstarring, weke
zachtheid en vleselijke volheid. Expressief zijn de onhandig met elkaar
in botsing komende menselijke gestaltes, huidplooien, voetzolen en
handpalmen. De telkens terugkerende vrouwenfiguur die haar benen
spreidt en de toeschouwer een blik gunt op vagina en anus brengt de
seksuele drift tot uitdrukking, en de in de Berlijnse tekeningen uit
2008 prominent aanwezige skeletten roepen lachend en van zichzelf
huiverend de doodsangst op. Gezicht en ogen spelen bij Van der Eerden
zeker geen ondergeschikte rol, maar lijken niettemin te concurreren met
de expressiviteit van lichamen en objecten. Dat komt tot onder meer tot
uiting in een tekening uit de al genoemde, in 2000 tot stand gekomen
serie True Identities. De tekening toont een gezicht dat naar een
buiten het beeld aanwezige lichtbron neigt. De blik van de toeschouwer
wordt niet alleen getrokken door de ogen, maar net zo goed door de ijle
en even expressieve rasters die neus, bovenlip, mond en kin vormen.
Iets vergelijkbaars treedt aan het licht in de uit 1995 stammende
tekening Self as Blake. In dit portret van de kunstenaar als de
extatische dichter en kunstenaar William Blake (1757-1827) wordt de
blik van de toeschouwer niet alleen getrokken door de ogen, maar ook
door de geprononceerde plooien in het voorhoofd, de sculpturale neus,
de rest van het gezicht en het bovenlichaam en trouwens niet minder
door het patroon op de achtergrond en de suggestie van heftige beweging
die daarvan uitgaat. In Self as Blake lijken ogen, gezicht, lichaam en
achtergrond de uitdrukkingen van één en dezelfde lyrische materie. Net
als in sommige andere tekeningen treedt het stoffelijke hier naar voren
als een levendige, van vormlust bezeten macht die de menselijke figuur
extatisch meevoert, driftmatig beheerst, vormt en, zoals in een aantal
van de in 2008 in Berlijn gemaakte tekeningen, letterlijk in het rond
slingert. De menselijke verschijning lijkt van die materie niet meer
dan uitdrukkingsvorm naast andere uitdrukkingsvormen; de objecten en
oppervlakken, zoals in de genoemde blauwe tekening uit 1996, waarin de
materie even lyrisch als meedogenloos een betoverende vormwil botviert.
Dat laatste is wellicht wat speculatief. Van der Eerdens werk
is in veel opzichten ongrijpbaar. Het is niet zelden afstotelijk van
onderwerp, maar altijd schitterend van vorm en houdt de aandacht met
name vast door de asymmetrie tussen kijken en voelen. Objecten en
lichamen zijn bij Van der Eerden niet zelden vertekend. Ze zijn, hoewel
op een misleidende wijze overtuigend voorgesteld, visueel niet helemaal
juist, en roepen desondanks of juist daardoor onmiddellijk associaties
op met concrete zintuiglijke ervaringen. Dat wekt de nieuwsgierigheid,
want hoe zit het nu eigenlijk in elkaar? Bovendien zet het veel mensen
ertoe aan om buiten de muren van de tentoonstellingsruimte nog eens
goed te kijken hoe de dingen nu werkelijk en in het echt in elkaar
zitten en hoe ze voelen. Hoewel Paul van der Eerden nergens in zijn
werk blijkt geeft van opvoedende bedoelingen, lijkt dat toch een punt
van belang. In de bestaande literatuur over de menselijke waarneming en
de waarnemingspsychologie wordt telkens naar voren gebracht dat mensen
veelal oppervlakkig waarnemen. Dat is niet meer dan normaal. Wanneer we
ons voortdurend zouden richten op onszelf en onze omgeving, zouden we
al snel uitgeput en versnipperd raken. Maar gericht en aandachtig
waarnemen is van tijd tot tijd van groot belang. Waarneming is een
onlosmakelijk deel van de menselijke ontwikkeling, zowel in persoonlijk
als historisch opzicht, en moet, dat wordt in diezelfde literatuur over
de waarneming eveneens voortdurend onderstreept, worden aangeleerd en
ontwikkeld. Waarneming brengt mensen wel degelijk dichter bij hun eigen
werkelijkheid en de raadsels daarvan kunnen alleen bestaan als ze met
aandacht worden waargenomen.